De wet en de interpretatie van een overeenkomst

Overbodige regels?


De regels die gelden bij de interpretatie van een overeenkomst stonden tot voor kort in het (oude) Burgerlijk Wetboek. Bij de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek zijn zij uit de wet gemikt.

Interpretatie-regels worden al gekend in het Romeinse recht. In dit boek worden, na een noodzakelijke inleiding omdat het historisch besef in juristenland afgenomen is, eerst een paar Romeinsrechtelijke regels voor uitleg behandeld, die ook in deze moderne tijden relevant zijn en, zeer uitzonderlijk, hun oude bewoordingen hebben behouden; denk alleen al aan de "contra proferentem" regel en de "claris verbis" regel. Is dit nu nog relevant? Jazeker, want wanneer men aan het einde van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw in West-Europa overgaat tot codificatie van het recht, worden ook de regels voor interpretatie van overeenkomsten gecodificeerd. Die regels komen na uitgebreide discussies terecht in deze optekeningen van het recht, worden zelf weer geïnterpreteerd en krijgen op den duur aan het einde van de twintigste eeuw een eigen gestalte in de rechtspraak, in vorm van bijvoorbeeld het "haviltexen" en het "foxen". En wanneer het nieuwe Burgerlijk Wetboek in werking treedt, worden de oude normen niet gemist. Maar, pas op, zij sluipen weer binnen via verdragen en pogingen tot codificatie op internationaal gebied.

De auteur, Peter C. Kop was raadsheer in de Hoge Raad en is met pensioen doch is tevens nog actief als rechtshistoricus.

Bekijk inhoudsopgave


 19,50